Vet cool: polyfone sporen in de muziek van de late achttiende eeuw

Deze artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd als inleiding voor het concertprogramma “De Polyfone Mozart” uitgevoerd door The New Dutch Academy o.l.v. Simon Murphy op dinsdag 30 augustus 2005, om 20.00 uur, in de grote zaal van de Vredenburg tijdens het Holland Festival Festival Oude Muziek Utrecht.

Simon Murphy NDA Vredenburg 2005

Op het recent uitgebrachte acid/progressive/jazz/hip-hop album Music Evolution van Buckshot Lefonque hebben de muzikanten het over hun muzikale relatie tot de oudere generaties. De bandleden hebben het druk met modern zijn, het banen van nieuwe paden, het ontwerpen van nieuwe stijlen en een nieuwe esthetiek, maar zijn zich er tegelijkertijd hyperbewust van dat hun muziek diep geworteld is in de ‘oude school’ van hun voorlopers. In een gesproken intro bij een van de tracks overleggen ze met elkaar hoe snel ze het volgende nummer zullen nemen. Een van hen stelt aan de orde dat ze hun muziek nu sneller spelen dan de muziek waarvan die is afgeleid dertig jaar geleden, waarop een ander zegt: ‘Yeah man, maar als het goed genoeg is voor James [Brown], dan is het goed genoeg voor mij.’ Die uitspraak krijgt algemene instemming en ze gaan aan de slag; de track die ze spelen heeft alle kenmerken van hun eigen vernieuwende stijl, maar laat ook volop ruimte voor dat wat cool was in het verleden. Ze geven blijk van hun waardering voor de muzikale helden van weleer en ook voor dat wat cool is aan de ‘oude-schooltechniek’ – precies dat aspect wat hun eigen muzikale taal mogelijk heeft gemaakt.

De componisten die voorop liepen bij het ontstaan van de klassieke stijl in de tweede helft van de achttiende eeuw hadden een vergelijkbaar respect voor hun eigen ‘oude school’. Zij waren zich er terdege van bewust dat de muziek van de oudere generatie(s) een basis vormt voor hun eigen muziek, zelfs als hun muzikale stijl niet meer dezelfde is. Terwijl deze nieuwe componisten druk doende waren om een nieuwe, innovatieve stijl met een eigen esthetiek tot ontwikkeling te brengen die weer het predikaat cool zou verdienen, bleef er altijd een plekje over voor wat ooit cool geweest was. En dat was de polyfonie.

Het is iets te makkelijk om de achttiende-eeuwse klassieke stijl louter te omschrijven als homofoon en de opkomst ervan rond 1750 te beschouwen als een complete breuk met het polyfone verleden. In feite hadden de betrokken musici geen probleem met het incorporeren van de oude meerstemmige technieken in hun nieuwe muziektaal. Het programma van vanavond heeft zich hierdoor laten inspireren en zal een muzikale verkenning zijn van de breinen van enkele sleutelfiguren in het componeren in de tweede helft van de achttiende eeuw. Doel is een nieuwe kijk te bieden op polyfonie in de muziek, en wel als een techniek die als een rode draad door de muziekgeschiedenis loopt in plaats van te zijn verdwenen toen de tijden veranderden.

De aanwezigheid van polyfone (contrapuntische, fugatische) elementen blijkt absoluut niet na Bachs dood in 1750 te zijn verdwenen, maar ook in laatachttiende-eeuwse muziek nog volop traceerbaar. Zelfs in de muziek uit twee van de grootste kraamkamers van de klassieke stijl - Mannheim en Wenen – maakte polyfonie (of wat vroeger cool was) een integraal onderdeel uit van het nieuwe muzikale concept.

Belangrijke Mannheimer componisten, zoals Franz Xaver Richter (1709-1789), blijken dol op het inzetten van polyfone structurele elementen en technieken in hun muziek, die ze tegelijkertijd ook nog druk aan het ontwikkelen zijn tot een nieuwe klassieke taal en daarmee de symfonische stijl. Richters gebruik van polyfone technieken overstijgt verre het normale teruggrijpen op de oude stijl en mondt uit in volledig uitgewerkte, complexe fugatische structuren. Een voorbeeld hiervan is het laatste deel van zijn Sinfonia a quattro in Es-groot uit 1754: Richter blinkt zowel uit in de inventiviteit van zijn symfonische taal van de toekomst als in het toepassen van de rijke polyfone mogelijkheden uit het verleden.

In Wenen was de blijvende polyfone ondertoon in de klassieke-muziekstijl al gezet door hofcomponist Johann Joseph Fux (1660-1741), die in 1725 Gradus ad Parnassum, zijn grote verhandeling over het contrapunt publiceerde. Deze klassieker had enorme invloed op de technische en stilistische ontwikkeling van een compleet nieuwe generatie componisten, waaronder Haydn en Beethoven. Albrechtsberger, de meest toonaangevende laatachttiende-eeuwse Weense muziektheoreticus, gebruikte het werk van Fux zelfs als de basis voor zijn eigen traktaat Gründliche Anweisung zur Komposition. Albrechtsberger componeerde meer dan 240 fuga’s; hij werd zeer gerespecteerd als componist en musicus in Wenen en bracht bovendien Beethoven de geheimen van het contrapunt bij. Florian Leopold Gassmann (1729-1774), hofcomponist te Wenen, was de grondlegger van de oudste muziekvereniging in Wenen, de Tonkünstler-Societät. Net als de Mannheimer Richter componeerde Gassmann in de gloednieuwe klassieke stijl met gebruikmaking van polyfone compositietechnieken.

De eerste helft van het programma geeft voorbeelden van dat polyfone bewustzijn in de beginperiode van de klassieke stijl in de centra waar het allemaal gebeurde: Mannheim en Wenen. Met name de toentertijd populaire orkestrale vorm van het Adagio en Fuga is vertegenwoordigd. Ook in de symfonie van Richter, op zichzelf al een prachtig voorbeeld van vroeg orkestraal componeren in Mannheim, is de combinatie van klassiek taalgebruik en polyfone elementen goed herkenbaar. Het Adagio en Fuga van Wilhelm Friedemann Bach is bedoeld als een uitstapje dat laat zien dat de belangstelling voor deze gecombineerde schrijfstijl bepaald niet beperkt bleef tot Mannheim en Wenen. Ook Mozart liet zich erdoor inspireren, en componeerde zijn eigen klassieke Adagio en Fuga voor strijkers in 1788.

De tweede helft van het programma is helemaal gewijd aan Mozart, met als hoofdmoot zijn laatste monumentale symfonie nr. 41 in C-groot. Deze compositie is het ultieme bewijs dat polyfonie een inspiratiebron vormde voor klassieke componisten: in de uitvoerige coda van het slotdeel van de symfonie gebruikt Mozart de klassieke symfonische schrijfwijze als voertuig voor niet minder dan vier thema’s, die hij op geniale wijze allemaal tegelijkertijd ten tonele voert in een adembenemend virtuoze symfonisch-polyfone krachttoer.

Simon Murphy (Nederlands: Jolande van der Klis)

 

De Polyfone Mozart, Holland Festival Festival Oude Muziek Utrecht, dinsdag 30 augustus 2005, 20.00 uur, Grote Zaal, Vredenburg

Programma

Franz Xaver Richter (1709-1789)

Sinfonia a 8 in D-groot

Johann Georg Albrechtsberger (1736-1809)

Adagio en Fuga in d-klein voor strijkers

Wilhelm Friedemann Bach (1710-1784)

Adagio en Fuga in d-klein (Falck 65)

Florian Leopold Gassmann (1729-1774)

Andante en Allegro in G-groot voor strijkers

Franz Xaver Richter

Fuga (uit: Sinfonia a quattro in Es-groot, 1754)

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Adagio en Fuga in c-klein voor strijkers KV 546 (1788)

pauze

Wolfgang Amadeus Mozart

Symfonie nr. 41 ‘Jupiter’ KV 551 (1788)  [Allegro Vivace - Andante Cantabile - Menuetto (Allegro) - Molto Allegro]

Wolfgang Amadeus Mozart

Ouverture tot Die Zauberflöte (1791)

 

Luister naar Mozart's Symfonie nr. 41 gespeeld door de New Dutch Academy live op de webradio